De carrière van Jan Peter Balkenende

Hij begon zijn carrière bij het onderzoeksinstituut van het CDA en als gemeenteraadslid in Amstelveen. In 1992 promoveerde hij op het proefschrift “Overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties”, een onderzoek dat sterk geïnspireerd was door de communautaire ideeën van Amitai Etzioni. Een jaar later, in 1993, werd hij bijzonder hoogleraar christelijk-maatschappelijk denken aan de Vrije Universiteit van Amsterdam.

Balkenende trad voor het eerst toe tot de Tweede Kamer op 19 mei 1998, terwijl het CDA in de oppositie zat. Hij werd de financiële woordvoerder van het CDA en was ook betrokken bij sociale zaken, justitie en binnenlandse zaken. In deze rol pleitte hij voor een aanzienlijke vermindering van de staatsschuld en gezonde overheidsfinanciën.

Op 1 oktober 2001 werd hij verkozen tot voorzitter van de parlementaire fractie van het CDA, als opvolger van Jaap de Hoop Scheffer. Op 3 november 2001 werd hij benoemd tot lijsttrekker voor het CDA bij de woelige parlementsverkiezingen van mei 2002. Met deze verkiezingen herstelde het CDA zijn vroegere positie als grootste politieke partij in de Tweede Kamer.

Eerste kabinet

Op 4 juli 2002 vroeg koningin Beatrix Balkenende om na de algemene verkiezingen na het aftreden van premier Wim Kok een nieuwe regering te vormen. Het coalitiekabinet omvatte onder meer de partij Pim Fortuyn List (LPF), waarvan de leider (Pim Fortuyn) enkele dagen voor de verkiezingen werd vermoord. De partij stortte na slechts 87 dagen ineen vanwege interne conflicten binnen de LPF die de regering destabiliseerden.

Na vervroegde verkiezingen in 2003 vormde Balkenende zijn tweede regering met de christen-democratische oproep (CDA), de liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) en de progressieve liberale D66. Opnieuw leider van een centrumrechtse coalitie was het beleid van Balkenende gericht op hervorming van de Nederlandse openbare diensten, sociale zekerheid, prepensioenvoorzieningen, volksgezondheid, misdaadbestrijding, een hard immigratiebeleid en historisch grote bezuinigingen op de overheidsuitgaven. De maatregelen leidden tot grote publieke woede en slechte resultaten in opiniepeilingen voor zijn CDA-partij. Terwijl zijn partij na de Europese verkiezingen de grootste Nederlandse delegatie in het Europees Parlement bleef en de algemene verwachting van een groot verlies aan parlementszetels versloeg, leed de partij tijdens de Nederlandse gemeenteraadsverkiezingen van 2006 sterke verliezen en verloor zij haar positie als grootste partij in veel gemeenten. Ondanks zijn impopulariteit bij de Nederlandse kiezers (uit peilingen in 2006 bleek dat slechts 26-33% van de kiezers vertrouwen had in hem als premier), bleef zijn positie als leider van het CDA stabiel. Begin 2006 probeerde een aantal CDA-leden Balkenende als leider te vervangen door minister van Landbouw Cees Veerman. Veerman ging niet akkoord met het voorstel en bood Balkenende zijn steun aan. De populariteit van Balkenende herstelde zich sindsdien en overtrof die van zijn belangrijkste concurrent Wouter Bos in het najaar van 2006. Tegen die tijd gaf 53% de voorkeur aan Balkenende als premier van Nederland, terwijl 40% de voorkeur gaf aan Bos. De verschuiving in de publieke opinie wordt soms verklaard door het gestage herstel van de Nederlandse economie in het laatste jaar van zijn bestuur en de positieve effecten van het hervormde beleid van het kabinet-Balkenende, in combinatie met het afnemende vertrouwen in Bos als een goed alternatief voor de functie van premier.

Tweede kabinet

Na vervroegde verkiezingen in 2003 vormde Balkenende zijn tweede regering met het Christendemocratische Appèl (CDA), de liberale Volkspartij voor Vrijheid en Democratie (VVD) en de progressieve liberale D66. Opnieuw leider van een centrumrechtse coalitie was het beleid van Balkenende gericht op hervorming van de Nederlandse openbare diensten, sociale zekerheid, prepensioenvoorzieningen, volksgezondheid, misdaadbestrijding, een streng immigratiebeleid en historisch grote bezuinigingen op de overheidsuitgaven. De maatregelen leidden tot grote publieke woede en slechte resultaten in opiniepeilingen voor zijn CDA-partij. Terwijl zijn partij na de Europese verkiezingen de grootste Nederlandse delegatie in het Europees Parlement bleef en de algemene verwachting van een groot verlies aan parlementszetels versloeg, leed de partij tijdens de Nederlandse gemeenteraadsverkiezingen van 2006 sterke verliezen en verloor zij haar positie als grootste partij in veel gemeenten. Ondanks zijn impopulariteit bij de Nederlandse kiezers (uit peilingen in 2006 bleek dat slechts 26-33% van de kiezers vertrouwen had in hem als premier), bleef zijn positie als leider van het CDA stabiel. Begin 2006 probeerde een aantal CDA-leden Balkenende als leider te vervangen door minister van Landbouw Cees Veerman. Veerman ging niet akkoord met het voorstel en bood Balkenende zijn steun aan. De populariteit van Balkenende herstelde zich sindsdien en overtrof die van zijn belangrijkste concurrent Wouter Bos in het najaar van 2006. Tegen die tijd gaf 53% de voorkeur aan Balkenende als premier van Nederland, terwijl 40% de voorkeur gaf aan Bos. De verschuiving in de publieke opinie wordt soms verklaard door het gestage herstel van de Nederlandse economie in het laatste jaar van zijn bestuur en de positieve effecten van het hervormde beleid van het kabinet-Balkenende, in combinatie met het afnemende vertrouwen in Bos als een goed alternatief voor de functie van premier.

Op 1 juli 2004 nam Balkenende het roulerende voorzitterschap van de Europese Unie op zich.

Derde kabinet

Op 30 juni 2006 trok de Democraten 66, de kleinste coalitiepartij, haar steun aan de regering in voor de manier waarop minister van Immigratie Rita Verdonk de crisis rond de naturalisatie van Ayaan Hirsi Ali, lid van de Tweede Kamer, had aangepakt. Balkenende nam voor de tweede keer ontslag als premier van Nederland, kondigde vervroegde verkiezingen aan en presenteerde een week later zijn derde regering. Dit stuitkabinet, bestaande uit een minderheidscoalitie van CDA en VVD, bleef in functie tot de verkiezingen van 22 november 2006.

Vierde kabinet

Hoewel zijn oude coalitiepartners VVD en D66 het bij de parlementsverkiezingen van 2006 slecht deden, wist Balkenende de dominante positie van zijn CDA te verdedigen. Hij had alternatieve coalitiepartners nodig om een nieuwe meerderheidsregering te vormen en vormde een sociaal-christelijke coalitie met de PvdA en de orthodox-Protestantse Christelijke Unie. Het vierde kabinet Balkenende werd gevormd nadat Balkenende op 9 februari 2007 door koningin Beatrix tot formateur was benoemd. Zijn kabinet werd op 13 februari aangekondigd en zou tot 2011 in functie blijven, maar viel in de vroege ochtend van 20 februari 2010 als gevolg van onenigheid tussen de meerderheid van het parlement en de coalitiepartners CDA en PvdA over de verlenging van de Nederlandse ISAF-missie in Afghanistan. In tegenstelling tot de vorming van een nieuw demissionair kabinet met volledige verantwoordelijkheid (Balkenende III na de val van Balkenende II), ging Balkenende IV verder als demissionair kabinet, een demissionair kabinet met beperkte verantwoordelijkheid.

About the Author: Shawn Wood